Een leuke manier om naar belastingopbrengsten te kijken is met de laffercurve. Deze curve is genoemd naar Art Laffer, een economisch adviseur van Ronald Reagan. Op de horizontale as staat het belastingpercentage dat wordt geheven door de overheid. Op de verticale as de opbrengsten door de overheid. Wat gelijk opvalt aan de figuur is dat het verhogen van de belastingen niet altijd leidt tot hogere inkomsten voor de overheid.

Als eerste in punt A is het belastingtarief nul procent. Dan is de opbrengst natuurlijk ook nul. En bij C gaan alle inkomens naar de overheid. Maar dan gaat niemand meer werken of een bedrijf beginnen, dus zijn de opbrengsten ook nul. Ergens hier tussenin ligt het punt met de maximale opbrengst. Voor de goede orde dit is niet het punt dat we willen bereiken, maar hierover later meer.
Hoe komt het nu dat de belastingeninkomsten niet omhoog gaan als de tarieven omhoog gaan. Mensen houden niet van belasting en hoe hoger de belasting hoe meer zij hun best zullen doen om geen belasting te betalen. Dit kan natuurlijk gaan om zwart werken en belastingfraude, maar er zijn ook veel legale manieren om minder belasting te betalen. Bij een hoge winstbelasting kunnen bedrijven er bijvoorbeeld voor kiezen om een deel of alle activiteiten naar het buitenland te verhuizen.
Een andere belangrijke oorzaak is motivatie. Als je de vruchten van je arbeid en ondernemerschap kan plukken dan motiveert dat tot werken. Het omgekeerde geldt als de tarieven omhoog gaan. Als een groot deel van de winst opgaat aan belastingen dan gaan veel mensen zich afvragen of een onderneming niet teveel risico's brengt ten opzichte van de opbrengsten. Voor arbeid kun je ook stellen dat het minder aantrekkelijk wordt om aan het werk te gaan als je toch bijna alles weer moet afstaan aan de overheid.
De opbrengst kan ook verwateren door inflatie. Werknemers kunnen als reactie op hoge belastingen hogere looneisen gaan stellen. De werkgevers kunnen om de hoge winstbelasting te compenseren hogere prijzen gaan vragen. Dit leidt dus tot inflatie. De overheidsopbrengsten zijn dan wel omhoog gegaan. Maar door de inflatie is de reële waarde van die opbrengsten dan toch gedaald.
Hier zou je nog tegenin kunnen brengen dat als door een grote overheid de inkomsten uit arbeid sterk afnemen, dan moeten de mensen wel meer werken. De opbrengsten van arbeid zijn dan zo laag dat je veel moet werken om in je levensonderhoud te voorzien. In de Scandinavische zien we hier voorbeelden van. De kinderopvang is daar bijvoorbeeld gratis. Maar de belastingen zijn daar ook zo hoog dat beide ouders eigenlijk wel full-time moeten werken. Er is dus nauwelijks sprake van een keuze. Dit gaat naar mijn mening in tegen de vrijheid van het individu. In Nederland kiezen een aantal mensen ervoor om deeltijd te gaan werken om voor de kinderen te zorgen. Terwijl anderen toch liever voltijd werken. In Nederland is er dus meer keuzevrijheid doordat de overheid kleiner is.
Deze curve geldt niet alleen voor de hele economie, maar ook voor personen of groepen. Een miljonair in Nederland betaald bijvoorbeeld 52% belasting. Een verlaging naar 30% zou ervoor zorgen dat hij minder gaat investeren in het verminderen van deze belasting. Hij zal minder energie steken in allerlei belastingconstructies en dergelijke. De uitgaven van een dure belastingadviseur wegen dan niet meer op tegen de opbrengsten. Dus een deel van de bevolking minder belasten kan tot hogere inkomsten leiden.
Voor elke belasting verschilt het Laffer effect. Bij de hoogste schijf van de inkomstenbelasting is het effect vrij sterk. Maar bij de accijnzen op sigaretten zal het effect veel minder zijn. Ook zijn er verschillen tussen inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting. Bij de inkomstenbelasting is het moeilijker om de effecten te ontwijken. Hierdoor ligt de maximale opbrengst bij een relatief hoog tarief. Voor de vennootschapsbelasting is belangrijk dat bedrijven in toenemende mate internationaal zijn gaan opereren. Ze kunnen dus redelijk eenvoudig bedrijfsactiviteiten verplaatsen. Het tarief met de maximale opbrengst is voor de winstbelasting dus relatief laag. Daarbij zit er een groot verschil in lange en korte termijn effecten. Bij een verhoging kan een bedrijf niet altijd een vestiging makkelijk verplaatsen. Maar is de belasting te hoog dan zal hij er voor zorgen dat uitbreidingen van productie in het buitenland plaatsvinden. Nieuwe bedrijven zullen zich minder snel vestigen. De economische groei kan dus sterk verminderen. Deze effecten hebben tijd nodig, maar kunnen op lange termijn de concurrentiepositie ernstig schaden.
Dan nu terug naar de curve. Voorbij punt B wil niemand komen. Ook voor de aanhangers van een grote overheid is dit niet aantrekkelijk. Kijken we vlak voor punt B dan zien we dat voor een beetje extra inkomsten de belastingtarieven flink moeten worden verhoogd. De verstoring van de economie weegt hier niet op tegen de opbrengsten. In punt A is er geen belasting. Als de overheid geen andere inkomsten heeft dan belasting, dan is er dus sprake van anarchie. Een mini-overheid met een rechterlijke macht, een leger en politie zou met tien procent of minder al uit de voeten kunnen. Dan blijft er nog een gebied over met mogelijke opties voor belastingtarieven.
Waar je uitkomt tussen A en B is een kwestie van ideologie en economie. Wat ideologie betreft zijn er de mensen die geloven in vrijheid en de eigen kracht van mensen. Dan ga je richting punt A. Wil je de mensen beschermen en ze bijvoorbeeld gezondheidszorg en sociale uitkeringen bieden dan schuif je meer richting punt B. Ook uit puur economisch oogpunt is er geen goed of fout. Sommige economen geloven dat de optimale economische groei alleen maar bereikt kan worden als de overheid de economie bijstuurt. Anderen vinden dat de vrije markt de meeste groei realiseert. Maar voor beide zijden is de Laffercurve een nuttig instrument om overheidsbeleid te beoordelen.
Top stuk!
BeantwoordenVerwijderenGeeft duidelijk waar de ideologische crux ligt... mooi om te zien!
Om een inkomen te bekomen moet er aan een aantal voorwaarden voldaan zijn. Er is infrastructuur nodig, een rechtssysteem, orde en veiligheid. De verantwoordelijkheid voor dit alles, en het toezicht op dit alles kan bijna alleen door de staat gebeuren. De basisbijdrage aan dit alles maakt dat we over een inkomen beschikken. De betaalde belastingen leveren aanzienlijk meer op dan ze kosten. De staat kan dan meer en meer voorzieningen treffen waardoor het inkomen meer en meer stijgt, bv door opleiding en onderwijs voor iedereen. De staat kan zo verder gaan tot verdere maatregelen en investeringen van de staat geen aanleiding meer geven tot een inkomens verhoging. Men kan zeggen de positieve terugkoppelingen gaan naar een maximum. De laffercurve vertrekt dus niet vanaf nul maar vanaf het punt dat het algemene inkomen naar een maximum gaat. Bij verdere verhoging heeft men een negatieve terugkoppeling en zal het inkomen afnemen. De inkomsten van de staat blijven dan nog een tijd toenemen tot het inkomen zelf gaat afnemen. Er zijn dus drie gebieden, een gebied met basisbelasting, een gebied waarbij het inkomen zijn maximum bereikt en een gebied waarbij het de belasting zo hoog wordt dat de onbelaste inkomens dalen en meer belasting gelijk is aan minder belastingsinkomsten. De meeste moderne staten trachten hun belastingsinkomsten te maximaliseren en komen gevaarlijk dicht bij de maximum mogelijk inbare belasting. Bij economische vertraging of terugval gaan ze er over en nemen de inkomsten meer af dan ze verwachten. Meestal moet dan gesnoeid worden in de uitgaven en vooral de uitkeringen. Politiek ligt dat gevoelig omdat met uitkeringen en toelagen kiezers gekocht worden. Men tracht dan belastingen te verschuiven, maar dit maakt niet het verschil omdat de besteedbare hoeveelheid geld er niet groter door wordt. Het enige dat werkt is meer mensen aan het werk in banen die meerwaarde produceren en natuurlijk groei van de economie.
BeantwoordenVerwijderen